|
|
|
Landscapes ; sculptures in bronze and
granite, small and large objects and sculptural tables
Sculpturen
|
Vol van het landschap wijd en zijd .Beelden van Cor Litjens De dijk Toen Cor Litjens in 1981 aan de Tehatex in Nijmegen het onderwerp van zijn afstudeer project moest vaststellen, koos hij het landschap in relatie tot de horizon. Dat deze keuze aan het begin van zijn artistieke ontwikkeling berustte op een fundamentele affiniteit valt alleen al af te leiden uit de titels van veel werken die sindsdien ontstonden: Waterval, De golf en De dijk alle drie uit 1989, Eilanden Tafel 'Bergen' uit 1990. Daarna ontstonden tot in 1994 onder meer krater en Baya de Loia, De rand van het water en Tafel 'Bergen met meer'. In de monumentale sculptuur De dijk sloten Cor Litjens' liefde voor het land- schap en zijn voorkeur voor architectuur een verbond. Het beeld werd opgebouwd uit vier pijlers van hardsteen die een onvolledige bronzen cirkel dragen. Deze verjongt zich naar achter zoals de twee voorste pijlers dat naar boven doen. Dit geleidelijk aan smaller worden van zuilen naar boven toe pasten de Grieken al toe in hun tempels in de zesde eeuw voor Christus met de bedoeling ze ranker te doen lijken. Het naar achter smaller worden van de bronzen vorm intensiveert de natuurlijke verkleinende werking van het perspectief; daardoor lijkt de cirkel groter, het beeld dynamischer. De dynamiek wordt nog vergroot doordat de cirkel langzaam stijgt. De pijlers verschillen van vorm: de twee achterste lijken op een toren met een afgeknot- te spits, de twee voorste, waarvan twee zijden glad geschuurd zijn en twee een structuur heb- ben, eindigen in een vorm die een verwant antwoord krijgt van het brons. Dit toepassen van verschillende dragers is een van de constante motieven in het werk van Cor Litjens. Bij een Tuinhuis uit 1985 verschilden vorm én materiaal van alle zes de dragers; de ongelijkheid werd hier uitdagend gepresenteerd. Een jaar later volstond hij, soberder, met twee typen dragers bij Tafel 'Aarde, vuur, lucht, water'. Van dit principe van ongelijkheid maakt de beeldhouwer herhaaldelijk gebruik sinds hij in 1984 in Midden Italië bij het bestuderen van de pijlerbundels kwam dat er geen twee hetzelfde waren. Toch leken ze bij oppervlakkige vergelijking allemaal identiek. Het zijn juist de subtiele ver- schillen van de ritmische elementen van een monumentaal gebouw die ons de architectuur ervan als vitaal doet ervaren. Wanneer Cor Litjens kiest voor verschillend gevormde pijlers doet hij een keuze tegen het klassicisme en voor het activeren van de verbeeldingskracht van de beschouwen. De dijk werd in 1989 geplaatst op de dijk langs de brede rivier de Waal in Weurt, vier km van Nijmegen. De sculptuur maakt de beschouwer tot middelpunt; ze ontvangt hem en omarmt hem. Tegelijkertijd vormt het brons een solide echo van de horizon rondom. Om die reden zou De dijk beschouwd kunnen worden als een optimale verwezenlijking van de mogelijkheden die het afstudeerproject negen jaar daarvoor omschreef als: het landschap in relatie tot de horizon. Doordat De dijk met zijn hoogte van 2,5 meter ruimschoots boven oog- hoogte ligt en doordat de bronzen vorm licht stijgt, voelt de beschouwen van dit ontvankelijke beeld zich boven zichzelf uitgetild en kan hij tegelijkertijd de kracht van het landschap ervaren. De dichter Martinus Nijhoff situeerde zijn bekende sonnet De moeder de vrouw aan dezelfde rivier; ook hij ervoer de lyrische kracht van het Waallandschap toen hij schreef: 'mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd' (2). - In Weurt komt een sterke sculptuur tot maximale zeggingskracht dankzij het pact met het landschap. Tafel 'Bergen' In zijn beelden past Cor Litjens graag glas toe. Soms zijn de randen ervan onregelmatig en is het oppervlak enigszins gewelfd; op die manier lijkt het glas een herinnering aan water te kunstenaar vervaardigt al jaren lang beelden die eruit zien als tafels en die ook zo genoemd bewaren. Het materiaal kan gecombineerd worden met brons, steen, staal of hout. De worden. Hierbij past hij gewoonlijk glas toe. Een uitzondering hierop vormt de Tafel 'Bergen' uit 1990, waarvan het blad van eikenhout is. De bronzen poten, door Litjens zelf afgegoten 'á cire perdue', verschillen alle vier van vorm; ze doen denken aan De golf, een monumentaal tweedelig beeld uit 1991, dat hij in opdracht van de N.M.B. Postbank in I.eeuwarden ontwierp. Daar en bij Tafel 'Bergen' schijnen de bronzen vormen de golfslag van het water en de activiteit van de wind te incorporeren. De titel is behalve aan de vorm van het beeld ontleend aan wat het blad presenteert: zes achter elkaar geplaatste bergen. Uitzonderlijkerwijs is het concept hiervoor niet te danken aan een herinnering aan de natuur, maar indirect ontstaan via de literatuur, zoals het creatieve proces in het verleden tot aan de impressionisten overwegend indirect verliep via de theorie van welomschreven voorbeelden en modellen en niet berustte op rechtstreekse waarneming van de natuur. De literatuur die bij Cor Litjens het creatieve proces in gang zette heet The Illustrated Wordsworth's Guide to the Lakes. (3) In deze gids voor het Lake District introduceert de dichter zijn lezers-natuurminnaars in een zijns inziens uitzonderlijk natuurgebied. Om zijn lezers het onderscheid in bergcontouren bij te brengen, het verschil in 'onaangename' en vloeiende lijnen, neemt Wordsworth ter adstructie een tekening over uit een studie van een achttiende-eeuwse dorpspastoor, William Gilpin. (4) Deze beoordeelde een zadelvormige berg als onaangenaam, zoals voor hem ook de meeste bergen in de Alpen eerder als merkwaardig golden dan als fraai. 'Only the easy line pleases'. Er zijn nu eenmaal 'correct and incorrect moun- tains'. (5) Het eigen schoonheidsideaal stelt hier eisen aan de natuur. Het is altijd gebruikelijk geweest om de natuur te beoordelen met de schoonheidsidealen van de eigen tijd, maar een berg fout verklaren omdat zijn contouren je niet be- vallen, wekt de lachlust op. De zes bergen op het houten blad beantwoorden aan de zes typen van Gilpin, de goede en de verkeerde bergen. Maar hier worden de verworpen en de welgevallige contouren democratisch aaneengeregen tot een orde zonder hiërarchie. Cor Litjens is het blijkbaar niet eens met Wordsworths impliciete waardering van Gilpin. Eerder onderschrijft hij het oordeel van de dichter J.C. van Schagen, die schreef: Niets is, dat niet goddelijk is daarom wil ik niets uitzonderen ik geef geen namen ( ) ik blijf niet staan bij slecht en lelijk. (6) De zes kleine bergen, aangepast aan het formaat van een kloek maar huiselijk tafelblad, sorteren een effect van vervreemding. Wel vaker bereikt Cor Litjens dit effect door middel van miniatuurformaten. Het is net als de tafels een terugkerend gegeven in zijn werk. - Tafel 'Bergen' staat functioneel gebruik welwillend toe, iets wat bij alle tafels van de kunstenaar het geval is. Wel hebben ze steeds ook de functie van toontafel. De verwarrende veelheid van functies versterkt in dit geval de artistieke kwaliteit. Dat Cor Litjens een werk concipieert uitgaande van kunsttheoretische overwegingen vormt een uitzondering in zijn oeuvre. Doorgaans krijgt hij daarvoor rechtstreeks suggesties van het landschap, hetzij op zijn reizen, hetzij dicht bij huis. Van het landschap waar zijn werk wijd en zijd vol van is. José Boyensin: Ons Erfdeel 37e jaargang nr 4, september oktober 1994 Algemeen- Nederlands tweemaandelijks culureel tijdschrift Noten: (1) San Galgano ligt ongeveer dertig km ten zuidwesten van Siena. De kerk is gesloopt op de pijlerbundels en muren na. Dak, vloer en bekleding werden zorgvuldig verwijderd en elders opnieuw gebruikt. (2) Zie de bundel Nieuwe gedichten uit 1934 of de verzamelbundel Lees meer, er staat niet wat er staat, Den Haag, 1959, P. 148. (3) Bezorgd door P. Bicknell , Exeter, 1984. De eerste editie van Wordsworth zelf dateert van 1835. (4) Observations Relative Chiefly to Picturesque Beauty, Made in the Year 1772 on Several Parts of England:Particularly the Mountains and Lakes of Cumberland and Westmoreland, Londen, 1785. (5) Editie P. Bicknell, p. 148. (6) J.C. van Schagen, Narrenwijsheid, titelgedicht, 1925; zie J.C. van Schagen, Ik ga maar en ben, Amsterdam, 1972, p. 9. |